Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 16
‘Hölderlin was eigenlijk wel redelijk te pas, als hem niet om zin en betekenis
werd gevraagd en het contact onbe-
vangen en alledaags kon zijn, en dan gaf hij ook ‘verstandige’ antwoorden.
Hölderlin en de Zimmers wisten wat ze
aan elkaar hadden en het leven verliep redelijk ontspannen. Maar opvallend was
wel dat het met die ontspannen
sfeer regelmatig gedaan was als de ‘geleerde wereld’ ter sprake kwam of als
iemand uit die wereld hem ontmoette.
Toen Conz, intussen hoogleraar in Tübingen en vroeger Hölderlins repetitor in
het Stift, hem met ‘Heer magister’ be-
groette, bleef hij een paar dagen mokken, want hij wilde met ‘vorstelijke
hofbibliothecaris’ worden aangesproken, al-
thans door de lieden uit het milieu van Conz. Hijzelf hield er tegenover
bezoekers een verfijnd arsenaal aan compli-
menten op na, dat serieus leek, maar kennelijk niet helemaal serieus bedoeld was,
zoals zijn bezoekers bijna in koor
vertellen. ‘Uwe majesteit’, ‘geachte heer’, ‘weledelgeborene’,
‘heer generaal, ‘baron’ – zo ging dat maar door, en dan
nog de bevallige, rococoachtig geaffecteerde buiginkjes en reverences. Op die
manier hield hij de mensen op afstand.
Sommigen vroegen om een gedicht. Een bezoeker, het was vlak voor Hölderlins
dood, beschrijft zo’n tafereel: ‘Mijn
laatste bezoek was in april ’43.’’
(Bladzijde 247-248) Morgen verder met dit hoofdstuk 16.