Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 16
‘Diens lievelingsgedicht was er een dat Hölderlin hem in 1823 cadeau had
gedaan en dat met de regels begint:’Als
uit de hemel held’re zaligheid zich/ stort, de mensen vreugde overvalt/ en zich
verbazen over veel […]’. Vooral de
schapen die in dit gedicht her en der bijna spookachtig opduiken, spraken Mörike
aan:
‘Over de vlonder beginnen schapen
De tocht, die bijna naar schemerige bossen voert,
[…] Daar, op die weiden ook
Verwijlen deze schapen […]
Maar wateren kabbelen neerwaarts en zacht
Is hoorbaar daar een ruisen heel de dag.’
(Ma I, 913 ev.; v. 8-9, 13 ev., 25 ev.)
In zijn eerste jaren in de toren maakte Hölderlin zelfs nog plannen voor een
almanak, waarvoor hij dagelijks een grote
hoeveelheid papier volschreef. Daaronder aangrijpend simpele regels:’Het
aangename dezer wereld heb ik genoten,/
de uren van de jeugd, hoelang!, hoelang vervloten,/ April en mei en juli zijn
vervaagd,/ Ik ben niets meer, ik leef niet
meer zo graag!’ (MA I, 919).
In dezelfde tijd ontstond een gedicht dat Hölderlin aan Ernst Zimmer
opdroeg.’
(Bladzijde 249-250) Morgen verder met dit hoofdstuk 16.