Weer verder met ‘Höderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 16
‘Die reactie had in die tijd menigeen verbaasd, men had hem er niet toe in
staat geacht. Men beschouwde hem als
gekker dan hij in werkelijkheid was.
Hoe gek was hij eigenlijk?
Pierre Bertaux heeft de theorie opgesteld en in een omvangrijk boek onderbouwd
dat Hölderlin psychisch zwaar
geschonden was en zich teruggetrokken had in een innerlijke ballingschap,
teleurgesteld als hij was over het gebrek
aan weerklank voor zijn werk en murw van de materiële nood. Wat vroeger en nu
nog steeds zijn krankzinnigheid werd
genoemd, zou enscenering en camouflage zijn geweest.
Wie de theorie van de nobele simulant verdedigt, citeert meestal uit een brief
van Sinclair aan Hölderlins moeder, d.d.
6 augustus 1804, geschreven op een moment dat Hölderlin, althans in Nürtingen,
reeds als ziek werd beschouwd: ‘niet
alleen ik, maar ook zes tot acht andere personen die hem hebben leren kennen,
zijn ervan overtuigd dat wat bij hem ge-
moedsverwarring lijkt te zijn, dat helemaal niet is, maar een uiterlijke houding
die hij om weloverwogen redenen heeft aan-
genomen’ (MA III, 633).’
(Bladzijde 250) Morgen verder met dit hoofdstuk 16.