Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 16
‘In het gedrag van Hölderlin zat zeker iets opzettelijk geforceerds,
bijvoorbeeld bij de begroetingsrituelen en afscheids-
rituelen met de reverences en de ‘hoogwaardigen’ en de ‘heiligheden’. Ook
Schelling was het al opgevallen dat Hölderlin,
hoewel echt ziek, toch ook de ‘uiterlijke manieren’ van de ‘vervorming’
had aangenomen (MA III, 619).
Maar is, behoudens dan in bepaalde situaties, een dergelijke camouflage en
enscenering, zoals Bertaux die aanwezig
acht, een hele tweede helft van het leven, zesendertig jaar lang, vol te houden?
Amper.
Er bestaan indrukwekkende beschrijvingen van de manier waarop Hölderlin zich
gedroeg en praatte, pogingen die geen
genoegen nemen met het etiket ‘waanzin’, maar meer greep trachten te krijgen
op de details en de donkere en lichte plek-
ken, de wisseling tussen verwardheid en tegenwoordigheid van geest.
Varnhagen von Ense was in 1808 de eerste bezoeker die over zijn indrukken
schreef. Wilhelm Waiblinger sprak zich aan
het eind van de jaren twintig het uitvoerigst en het meest diepgaand uit. In de
laatste jaren van Hölderlins leven was het Chris-
toph Schwab, de zoon van de beroemde Gustav Schwab, die Hölderlins vertrouwen
won en zijn nauwkeurige observaties in
een dagboek noteerde. Deze drie zullen hier ten slotte iets uitvoeriger aan het
woord komen.’
(Bladzijde 251) Morgen verder met dit hoofdstuk 16.