Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 16
‘Varnhagen von Ense, de latere echtgenoot van Rahel Varnhagen, had zijn
opleiding tot medicus al voltooid,
toen hij in 1808 door bemiddeling van zijn vriend Justinus Kerner, die assistent
was in de kliniek van Autenrieth,
Hölderlin in diens toren opzocht. ‘De arme Hölderlin! […] zijn waanzin is
niet gevaarlijk, maar we moeten de in-
vallen niet vertrouwen die plotseling in hem kunnen opkomen. Hij raast niet, maar
praat onophoudelijk vanuit zijn
inbeelding, meent zich omringd door hem toegedane bezoekers, ruziet met hen,
luistert naar hun tegenwerpingen,
weerlegt ze met grote levendigheid, noemt grote werken die hij geschreven heeft,
andere die hij nu aan het schrij-
ven is, en al zijn wetenschap, zijn talenkennis, zijn vertrouwdheid met de
klassieken staan hem daarbij ter beschik-
king; maar zelden vloeit er een bijzondere gedachte, een ingenieuze verbinding in
de stroom van zijn woorden mee
[…]’ (St.A. 7.2, 371).
Een opmerkelijke constatering: zijn hele ‘wetenschap’ staat hem ter
beschikking en hij kende in zijn eigen werk nog
de weg. Dat is een tegenwoordigheid van geest die in staat is nieuwe dingen te
creëren.’
(Bladzijde 251-252) Morgen verder met dit hoofdstuk 16.