Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 16
‘Maar dan is er ook de onophoudelijke woordenstroom waarin Hölderlin drijft
zonder een houvast te vinden. Zich
baserend op die observaties van Varnhagen past psychiater Uwe Henrik Peters het
begrip ‘schizofrasie’ op Höl-
derlin toe: het zou bij Hölderlin gaan, schrijft Peters, wiens theorie in dezen
aansluit bij Kraepelin, om een ‘buiten-
gewoon opvallende verstoring van de taalkundige uitdrukkingswijze bij een
relatief geringe schade aan de overige
psychische vermogens’ (Peters, 71). De taalkunstenaar is dus taalziek, de taal
weigert zijn communicatieve functie
uit te oefenen; de spreker heeft die niet meer in zijn macht met als gevolg dat
zij met hem aan de haal gaat, hij is
ver weg van de anderen. Vanuit hun perspectief moet hij dan tegelijk verstrooid
en autistisch in zichzelf verzonken
zijn. De praatdwang, ook in het zelfgesprek, zou dan karakteristiek zijn voor
iemand die het toegenomen gevoel van
vitaliteit vooral uit de taal haalt en er daarom ook in zijn verwarring aan
geketend blijft.
Het tweede bericht dat de basis van veel uiteenzettingen en analyses vormt, is
dat van Wilhelm Waiblinger, die an-
ders dan Varnhagen enkele jaren lang, niet één dag, contact met Hölderlin
heeft gehad.’
(Bladzijde 252) Morgen verder met dit hoofdstuk 16.