Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 17
‘Hölderlin – de martelaar; de arme dichter met zijn te grote gevoelens in te
kleine omstandigheden – was hij niet
gedoemd om onder te gaan? In die zin recenseerde Görres ook de bij Wilmans in
1805 verschenen ‘Nachtgezan-
gen’ (waaronder ook ‘Helft van het leven’). Hölderlin leek op een adelaar,
zegt Görres op het eind van zijn recensie,
die ‘krampachtig met zijn geknakte vleugels [wiekt], opgedreven en opgejaagd
door boosaardige schurken op straat,
maar wie zijn tijd kent en een hart in zijn boezem heeft, kijkt hem treurend na
als hij voorbijfladdert en nog steeds op
wil naar de zon’ (gecit. Naar Hölderlin-Handbuch, 477).
Die tendens om Hölderlin te eren door de omstandigheden te hekelen waaronder
hij vermoedelijk geleden heeft,
werd bij de literaire beweging ‘Junges Deutschland’ in de jaren veertig
overheersend. De gepolitiseerde tijdgeest be-
krachtigde Hölderlins afrekening met de ‘Duitsers’ en schreef het treurige
lot van de dichter toe aan het ‘oude’, reac-
tionaire Duitsland – een aansporing te meer om er eindelijk korte metten mee te
maken. Ze meende in de geest van
Hölderlin te handelen. Ze voelde zich bij hem in het krijt staan.’
(Bladzijde 259) Morgen verder met dit hoofdstuk 17.