Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 17
‘Met de eigen politieke inzet voor republiek en vrijheid wilde ze de schuld
tegenover de arme, krankzinnige dichter
afbetalen. Georg Herwegh schreef in 1839: ‘Hölderlin, in wezen de dichter van
de jeugd, aan wie Duitsland een gro-
te schuld af te betalen heeft, omdat hij aan Duitsland te gronde is gegaan. Hij
heeft zich voor onze jammerlijke toe-
stand, nog voordat onze smaad compleet was, in veiligheid gebracht in de heilige
nacht van de waanzin, hij, die ge-
roepen was voorop te lopen en voor ons een strijdlied te zingen. Ach! Hij heeft
vergeefs ernaar verlangd te vallen bij
de offerheuvel, te bloeden uit zijn hart het bloed voor het vaderland! Dadeloos
kwijnt hij in zijn geboortestreek weg aan
de oevers van de rivier die hij zo vaak verheerlijkt heeft; terwijl ik in
vervoering raak bij zijn liederen, heeft hij misschien
wel vergeten dat hij ze ooit gedicht heeft’ (St.A. 3, 198).
Er kan dus niet worden beweerd dat Hölderlin volkomen vergeten is geweest.
Hij bleef op de achtergrond present, en
als je bedenkt hoe weinig weerklank hij vóór zijn instorting vond, dan moet je
concluderen dat zijn aanwezigheid bepaald
niet afnam. Integendeel. Onder de as bleef er iets gloeien. Daarvoor zorgden ook
de trouwe Zwaben, vooral Ludwig Uh-
land, Gustav Schwab, diens zoon Christoph, en Justinis Kerner.’
(Bladzijde 259-260) Morgen verder met dit hoofdstuk 17.