Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 17
‘Dichten, denken, politiek hebben gemeen dat ze grote machtige werken
voortbrengen. Het dichten geeft het leven
de stemming, het denken maakt het bewust, en de politiek geeft er de orde van het
samenleven mee.
Wat dat laatste betreft, had Hitler voor Heidegger even tevoren de orde van
het samenleven veranderd en nieuw
vormgegeven, en Heidegger had die als nationaalsocialistisch revolutionair
begroet. Maar toen had hij gemerkt dat
hij zich vergist had – dat de maatschappelijke werkelijkheid op een andere wijze
anders geworden was dan hij zich
had voorgesteld. En dan komt de macht van de poëzie in het spel, en dus
Hölderlin. ‘Het kan zijn dat we op zekere
dag onze alledaagsheid verlaten en de macht van de poëzie moeten binnengaan, dat
we nooit meer in de alledaags-
heid terugkeren zoals we die verlaten hebben’ (Heidegger GA 39, 22).
Maar waar is Heidegger als hij bij Hölderlin ‘binnengaat’? Hij is, om het
kort te zeggen, in het ‘Seyn’ – in het door
Hölderlin en hemzelf ontslotene. Dat leidt tot verandering, en men zal als een
veranderde mens in het alledaagse kun-
nen terugkeren. Het gaat met andere woorden juist om de gebeurtenis in de
beleving van het schone die Rilke in een
gedicht oproept: ‘je moet je leven veranderen’.’
(Bladzijde 271) Morgen verder met dit hoofdstuk 17.