Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 17
‘De grond van het bewustzijn werd een afgrond voor hem, hij zocht naar de
dragende zijnsgrond. Maar wat in de
ambitieuze filosofische interpretaties in de regel niet heel duidelijk wordt:
voor Hölderlin was de overwinning op de
filosofische zelfmachtiging tegelijk een vrijmaking voor de poëzie. Als je de
uitermate subtiele reconstructies van
het filosofisch denken van Hölderlin nagaat, wordt pas echt duidelijk welke
knopen en verkrampingen er zich in het
hoofd van Hölderlin moeten hebben gevormd, die hij ten slotte alleen door een
vlucht uit de filosofie naar de poëzie
kon ontwarren. Wat hij daarmee meenam – los van alle subtiliteiten – was de
ervaring van het zijn als verbondenheid
die boven het bewustzijn uitgaat en in de poëzie waarschijnlijk beter verwoord
kan worden.
Vooral onder invloed van de grote Pierre Bertaux kwam in de jaren zestig de
politieke interpretatie van Hölderlin
machtig opzetten: Hölderlin als jakobijn, die wel moest stranden op de
benauwende maatschappelijke en politieke
omstandigheden, de ‘Duitse misère’ – overigens een theorie die al bij Lukacs
in de jaren dertig te vinden is. Opnieuw
de martelaar, opnieuw ‘le pauvre Holterling’ zoals een door D.E. Stattler
uitgegeven tijdschrift heette dat de Frankfur-
ter Ausgabe begeleidde.’
(Bladzijde 273) Morgen verder met dit hoofdstuk 17.