Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Af en toe staat iemand zonder enige reden stil, midden op straat, fronst de
wenkbrauwen en luistert.
Ontwaakt enkele seconden later en schudt die droom van zich af zoals een eend dat
doet met water.
Meer niet. Niemand kijkt ervan op. We stappen verder. We glimlachen. We gaat naar
huis en wachten
tot de avond valt. Uitgestrekt op bed. ’s Nachts worden we bezocht in
beweeglijke, vreemdkleurige
dromen.
De meeste mensen kunnen goochelen. Vingervlugheid. Manipulatie. Schijn.
Kinderspel. Maar mensen
die kunnen toveren, zijn zeldzaam. Van niets iets maken. Ze laten je hun vuist
zien, strekken hun vingers
en uit die lege handpalm ontplooien zich bloemen die ons met verstomming slaan.
Uit hun keel, die op het
eerste gezicht in niets van die van ons verschilt, stijgt een onmogelijke klank
op die zich in ons hoofd nes-
telt en ons dagenlang bedwelmt. Ze bewegen hun arm of hun heup en ons bloed
verandert van samenstel-
ling.
Hij kon toveren door aanwezig te zijn, niets meer.’
(Bladzijde 42-43) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.