Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Ik heb er over gelezen. Het is het verlangen waar het op aankomt. Wat alleen
maar zichtbaar is op
de binnenkant van je oogleden en het daglicht niet verdraagt.
Verbondenheid. Zielsverwantschap. Onhandige woorden die niet eens benaderen wat
ik bedoel.
Soms stonden we aan beide kanten van de straat en kon ik voelen hoe zijn adem
over mijn hals
streek. Zoals ook hij met het hoofd in de nek stond te wiegen als ik zong.
Op nachten dat het buiten even koud was als de dood, stond hij achter het raam.
Zijn adem op het
glas. Een bevriezend wolkje dat openkrabde in de vorm van een roos. Even
doorbloed als de rozen
die ik in mijn lichaam voelde openkrullen. Hij zou ze plukken en in de vaas van
zijn ribben zetten.
Ik weet niet wat hij met mij heeft gedaan. Overal zag en hoorde ik hem. Als ik
mijn oor op de muur leg-
de, hoorde ik hem neuriën. Elk glanzend voorwerp weerspiegelde zijn gezicht. Ik
hoorde hem fluisteren
als ik mijn haren kamde.’
(Bladzijde 44) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.