Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Zelfs als hij sliep. Hij stond aan het raam met beide handpalmen op het glas,
ondergedompeld in die
merkwaardige slaap, overgoten met maanlicht, en ademde rustig in en uit. Urenlang
kon hij daar staan
en urenlang mocht ik naar hem kijken. Hij aan de ene kant van het glas en ik in
een kamer aan de an-
dere kant van de straat. Hij met gesloten ogen en ik met ogen die aten en
dronken. Dronken. Van hem.
Hij hoefde zijn handen maar even te bewegen om een blos op te wekken die van mijn
hals naar mijn buik
trok. Zoveel licht straalde ik uit dat mijn gezicht weerkaatst weer op zijn raam.
Tussen zijn handen. Ik kan-
telde mijn hoofd en zijn vingertoppen bewogen. Kamden mijn haren. Brachten mijn
lippen aan het glanzen.
Nauwelijks hadden zijn vingers bewogen.
Ik heb hem nooit ontmoet. Ik bedoel: ik ben nooit op straat of in een winkel op
hem toegestapt. Maar het is
niet nodig om met iemand te spreken om zijn woorden onder je tong te voelen
smelten. Integendeel.’
(Bladzijde 43-44) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.