Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 7
‘Met het geld dat hij van Charlotte had gekregen, keerde Hölderlin medio
januari 1795 naar Jena terug, waar
hij tot eind mei zou blijven. Hij leefde heel ‘teruggetrokken’, schreef hij
aan zijn moeder, maar dat klopte niet, want
hij meed bepaald niet de kringen die zich aandienden: bij de voormalige Stiftler
Niethammer, bij wie Fichte, de Schle-
gels, Novalis, Tieck en Wilhelm von Humboldt kwamen; bij de ‘Freie Männer’,
die zich om Fichte schaarden; en vooral
bij de kring rond Schiller, die hem ‘met vriendschap en waarlijk vaderlijke
goedheid overlaadt’ (MA II, 575). Schiller stel-
de Hölderlin altijd aan zijn vrienden en kennissen voor met de woorden: ‘Dit
is mijn dierbaarste Zwaab’ (St.A. 7.2, 30).
Hölderlin verkeerde ook in de salon van Hofrätin Schütz, de echtgenote van de
invloedrijke uitgever van de ‘Allgemeine
Literaturzeitung’, en kwam ook ten huize van de ‘Gratie van Jena’, de
schrijfster Sophie Mereau, even oud als hij. Er werd
zelfs gefluisterd dat er een romance zou zijn tussen Hölderlin en de
buitengewoon mooie vrouw, die later zal trouwen met
Clemens Brentano.’
(Bladzijde 97-98) Morgen verder met dit hoofdstuk 7.