Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 9
‘Waarom kan een mens niet ook zo’n ‘god’ zijn en zo trots op zichzelf, en
als hij zich tot een gemeenschap vormt,
dan alleen ‘in een vrij verbond’? Het antwoord staat in de laatste twee
regels van het gedicht: het is de ‘liefde’ en
niet enkel de nood en de angst die ons aan het samenleven ketenen en ons beroven
van onze trotse onafhankelijk-
heid.
Er is veel goeds en moois over de liefde te zeggen, en Hölderlin heeft dat
ook gedaan in zijn ‘Hyperion’, waaraan
hij nu weer begint te werken, maar het is ook een macht die ‘ketent’ en
daarom onvrij maakt. Voor die mooie onvrij-
heid der liefde moet je kennelijk in de ‘rustiger wereld’ van de mensen de
onafhankelijke god der eikenbomen laten
varen. Daarom is dit gedicht – het mooiste dat Hölderlin tot dan toe had
geschreven – ook een soort elegie, een af-
scheid van de droom ‘over te gaan naar het oneindige zijn van de schone wereld,
in de armen van de eeuwige jeug-
dige natuur’ (aan zijn broer, 2 juni 1796; MA II, 621).’
(Bladzijde 139) Morgen verder met dit hoofdstuk 9.