Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12
4
‘Zalig Griekenland! gij huis aller hemelsen,
Dus is het waar wat ooit jong nog wij hoorden?
Feestelijke zaal! De bodem is zee! en tafels de bergen,
Waarlijk voor enig gebruik in de oudheid gebouwd!
Maar de tronen, waar? de tempels, en waar de vaten,
Waar met nectar gevuld, zang voor het goddelijk genot?
Waar, waar lichten ze op, de overal treffende spreuken?
Delphi sluimert en waar klinkt dan de grote beschikking?
Waar is het snelle? waar stort het zich vol alomtegenwoordig geluk
Donderend uit heldere lucht over onze ogen uit?
Vader Ether! zo klonk het en vloog van tong tot tong
Duizendvoudig, er verdroeg geen het leven alleen;
Verdeeld verheugt zulk goed en geruild met vreemden
Wordt het een jubel, groeit slapend de macht van het woord
Vader! vrolijk! en galmt, zo ver als het kan, het oeroude
Teken, van ouders geërfd, treffend en scheppend omlaag.
En zo komen de hemelsen aan, diepschokkend bereikt zo
Uit de schaduw omlaag onder de mensen hun dag.’
(Bladzijde 194) Morgen verder met dit hoofdstuk 12.