Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 12.
9
‘Ja, ze zeggen terecht, hij verzoent de dag met de nacht,
Voert aan de hemel de sterren eeuwig omlaag en omhoog,
Altijd fris, als de bladeren van de eeuwig groene pijnboom,
Die hij liefheeft, en de krans die hij koos van klimop,
Daar hij blijft en zelf het spoor van de ontvluchte goden
Voor de goddelozen beneden in de duisternis brengt,
Wat gezang der Ouden over de kinderen Gods voorspelde,
Ziet! wij zijn het, wij; vrucht van Hesperia is het!
Wonderbaar en als aan mensen vervuld blijkt het,
Wie het ziet, gelove! maar hoeveel er ook geschiedt,
Zinloos is het, we zijn zonder hart, schimmen, tot onze
Vader Ether ieder kent en van allen is.
Maar intussen komt als fakkelzwaaier van de Hoogste
Zoon, de Syriër, onder de schimmen omlaag.
Zalige wijzen zien het; een glimlach uit de gevangen
Ziel straalt, door het licht ontdooit hun oog.
Zoeter droomt nu en slaapt in de armen der aarde de Titan
Zelfs de nijverige, zelfs Cerberus drinkt en slaapt in.’
(KA I, 285-291)
(Bladzijde 197) Morgen verder met hoofdstuk 13.