Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 13
‘In zo’n stemming kon Hölderlin in een brief aan zijn moeder zelfs vrede
hebben met het vooruitzicht toch ooit
ergens predikant te zijn, of hij kon, in een brief aan zijn zus, vol dankbaarheid
terugblikken op een bezoek aan
zijn moeder en zijn broer en zus als op een paradijs, waar hij het echter bij een
langer verblijf nauwelijks uithield.
Waarom eigenlijk? Waarom kon hij de langverwachte vrede, de genoegens van het
gewone op den duur niet
verdragen, bij zijn familie niet, maar ook niet bij zijn vrienden? Want ook in
Stuttgart, bij Landauer, werd hij al
snel onrustig. Terugblikkend probeerde hij in een brief aan Landauer de
innerlijke tegenstrijdigheid bij uiterlijke
harmonie te verklaren: ‘Ik dacht altijd dat om in vrede met de wereld te leven,
om van de mensen te houden en
de heilige natuur met ware ogen te zien, ik me moest onderwerpen, en om voor
anderen iets te betekenen mijn
eigen vrijheid verliezen’ (februari 1801; MA II, 894).
Ook in het warme gezelschap van zijn familie of vrienden voelde hij zich
vervreemd, uit zijn eigen middelpunt
gerukt. De genegenheid voor anderen ervoer hij als een vorm van onderwerping.’
(Bladzijde 199-200) Morgen verder met dit hoofdstuk 13.