Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 13
‘De landschappen behoren er ook toe, voor Hölderlin wel in het bijzonder. In
hun telkens kenmerkende schoon-
heid belichamen ze iets geestelijks voor hem. Daarom kunnen ze ook, zoals in de
hymne ‘De Neckar’ of ‘De Rijn’
of ‘Heidelberg’ en ‘Stuttgart’, hymnisch aangeroepen worden. Het is de
‘genius’ van het landschap of de plek, waar-
van de verbindende en bundelende kracht opgeroepen en verwoord wordt. Die rijkdom
aan betekenissen hoort bij
het vaderland, dat men zich bepaald niet als een benauwende ruimte mag
voorstellen. Het is het verre in het nabije.
Vaderlands is daarom ook het verlangen naar verte, bij Hölderlin is dat vooral
Griekenland, het droomland van de
Klassieke Oudheid, of Frankrijk, het droomland van revolutie en republiek. Maar
ook de exotische verte van de reis-
boeken, die hij ijverig leest, trekt hem enorm aan. Vaderland is: niet de
politieke natie Duitsland, die toentertijd nog
niet bestond, maar de samenhang op grond van herkomst, de stam waaruit men
afkomstig is en waarvan men de
lotgevallen niet alleen wil delen maar ook mede wil bepalen.’
(Bladzijde 202) Morgen verder met dit hoofdstuk 13.