Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 13
‘Dreiging van binnenuit, verwarring, verstarring, sprakeloosheid voelde
Hölderlin steeds weer; in zijn gedichten
verwoordt hij dat, zoals ook in ‘Helft van het leven’. Het blijkt ook uit de
fragmenten en afbrekingen, zoals in de
hymne ‘Wanneer als op een rustdag…’. Ook in zijn brieven is er vaak sprake
van. In het voorjaar van 1801, na
de aanvankelijk euforische berichten uit Hauptwil, schrijft hij bijvoorbeeld in
ee brief aan Landauer: ‘Überhaupt
Is het al een paar weken nogal rommelig in mijn hoofd’ (MA II, 896).
Misschien was die tijdelijke verwarring de werkelijke reden waarom hij even
later, medio april, huize Gonzen-
bach verliet. Officieel werd evenwel in een nobele, van vriendelijke hoogachting
getuigende brief, geschreven door
de heer des huizes, een familiaire herschikking als reden voor de scheiding
opgegeven.
Hölderlin trok opnieuw te voet langs de oostelijke kant van het Bodenmeer,
via Lindau en de Zwaabse Alb, huis-
waarts. Het ging hem kennelijk weer beter, als we de elegie ’Thuiskomst’, die
vlak na de aankomst in Nürtingen
ontstond, ook als weerspiegeling van zijn stemming onderweg opvatten.’
(Bladzijde 210-2011) Morgen verder met dit hoofdstuk 13.