Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 15
‘Hölderlins vertaling vermijdt elke classicistische polijsting; het vreemde
van de klassieken wordt nog vreemder,
het verre raakt nog verder weg. En dat alles niet in de geest van een historische
distantiëring, maar als benadering
van een elementaire oerkracht, die volgens Hölderlin in de Klassieke Oudheid tot
uiting kwam en onderhuids in ons
voortleeft. In de confrontatie met die drama’s moeten we uit ons gewone midden
gedreven worden en in ‘excentrische
geestdrift’ worden gebracht. Wie diep in die dramawereld duikt, mag zich aan
het eind niet meer kunnen herkennen. Bij
Hölderlin zelf is dat misschien wel zo gebeurd. Aangrijpend de grote klacht van
Oedipus, als zijn angst groeit dat hij mee-
gesleurd wordt naar de waanzin:
Nachtwolken mijn! Gij vreeslijke
Omgolvend, onuitsprekelijk, ongetemd,
Onovermeesterd! wee mij! wee mij!
Hoe vaart in mij tegelijk
Met deze angels
Een aanzet en herinnering van het kwaad!
(MA II, 301; v. 1345-1350).’
(Bladzijde 234) Morgen verder met dit hoofdstuk 15.