Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 16
‘Aanvankelijk zag het daar ook naar uit, want er deden zich nogal vaak
aanvallen van ‘woede en razernij’ voor,
waarna de patiënt in de regel enkele dagen verzwakt op bed lag. Op een keer, het
was in 1812, ging het hem
zo slecht dat er rekening werd gehouden met een spoedige dood. Maar hij
overleefde de crisis en herstelde te-
gen de verwachting in. Vanaf dat moment bleef hij lichamelijk gezond. Zijn
constitutie was stabiel. Vele jaren is
hij altijd nog een mooie man gebleven, met fijne gelaatstrekken, een hoog
voorhoofd, smalle handen; maar er
moest wel bij hem op worden aangedrongen dat hij de nagels van zijn vingers liet
knippen. Tot aan zijn laatste
jaren had hij al zijn tanden nog, pas daarna begonnen ze uit te vallen. Toen
kreeg hij holle wangen, en hij zag
er even oud uit als hij was. Maar tot die tijd had hij altijd iets jeugdigs
behouden, dat vooral aan de dag trad als
hij met de huurders van Zimmer, studenten, samen was. Door hen werd hij, zoals
ook elders in het huis, zeer ge-
waardeerd en liefdevol behandeld. De aanvallen van ‘razernij’ namen af en
verdwenen bijna geheel. Hölderlin
leefde een rustig leventje, hij waardeerde de weldadige regelmaat, die door de
Zimmers zorgvuldig werd gekoes-
terd, omdat zij een neus hadden voor wat hij nodig had.’
(Bladzijde 244) Morgen verder met dit hoofdstuk 16.