Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 16
‘Waiblinger hoorde dat vaak en heeft het indrukwekkend beschreven: ‘Hij
speelt nog echt piano, maar heel vreemd.
Als hij het doet, blijft hij er dagenlang zitten. Dan volgt hij een gedachte,
kinderlijk simpel, en die kan hij dan honderd-
maal afdraaien en zo spelen dat je het er niet bij uithoudt. Bovendien heeft hij
soms last van een kramptrekking, waar-
door zijn hand plotseling over de toetsen schiet, en dan nog het onaangename
getik van zijn lange nagels […] Als hij
een tijdlang heeft gespeeld en zijn ziel heel week geworden is, zakken ook nog
zijn ogen dicht, zijn hoofd richt zich op,
hij lijkt te willen vergaan en wegkwijnen, en hij begint te zingen. Ik heb er
nooit achter kunnen komen in welke taal, hoe
vaak ik het ook heb gehoord, maar hij deed het met overdreven pathos, en er
trokken rillingen over je hele lichaam als
je hem zo zag en hoorde. Zwaarmoedigheid en treurnis ademden zijn gezang; je
hoorde dat hij ooit een goede tenor was
geweest.’ (St.A. 7/3, 70).
Maar er was niet alleen ‘zwaarmoedigheid en treurnis’, want als de
studenten in het huis vrolijk dronken en zongen, zong
hij mee. Op een keer vroeg hij Lotte Timmer, de jonge dochter, zelfs ten dans.’
(Bladzijde 247) Morgen verder met dit hoofdstuk 16.