Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 16
‘Zimmer beschreef in een brief aan Hölderlins moeder hoe dat tot stand kwam:
‘Zo zag Hij bij mij een tekening van
een tempel. Hij zei tegen me ik moest er zo een van hout maken, ik zei Hem dat ik
voor mijn brood moest werken,
ik was niet zo gelukkig zo in filosofische rust te leven als Hij, meteen zei Hij,
ach ik ben een arme mens, en in dezelf-
de minuut schreef hij het volgende vers met potlood op een plank:
‘De lijnen van het leven zijn ongerede
Zoals wegen zijn, en als van bergen ruggen,
Wat hier wij zijn, kan ginds een god aanvullen
Met harmonie en eeuwig loon en vrede.’
(MA III, 649)
Toen in het jaar 1826 de keuze uit zijn gedichten, bezorgd door Gustav Schwab en
Ludwig Uhland, uitkwam, was
Hölderlin er niet erg over te spreken. Toen men hem zei dat Uhland en Schwab
toch mooi redactioneel werk geleverd
hadden, antwoordde hij wrevelig: ‘hij had die hulp niet nodig, hij kon zelf wel
redigeren wat hij gedicht had -‘ (ST.A. 7.2,380).’
(Bladzijde 250) Morgen verder met dit hoofdstuk 16.