Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 17
‘De bezorger wilde die niet opnemen in het eerste deel, dat voorbehouden was
aan het literaire werk, voor hem
waren het louter levensdocumenten. De verzameling gedichten uit de tijd van de
‘waanzin’ gaat terug tot in de
jaren vóór 1806 – Christoph Schwab dateerde het begin van de waanzin op het
jaar 1802 – en bevatte daarom
als voorbeelden van de ‘waanzin’ -gedichten sommige van de fragmentarische
hymnen uit de late tijd, die een
halve eeuw later door Hellingrath een zeer hoog aanzien kregen.
Die uitgave kende geen ruime verspreiding, evenmin als de ook door Christoph
Schwab samengestelde bloem-
lezing uit 1874. Maar omdat gedichten van Hölderlin vanaf het midden van de eeuw
ook in schoolboeken en van
de jaren zeventig in ‘Meyers Grossenbibliothek der deutschen Klassieker’ en
de ‘Universalbibliothek’ van Reclam
opdoken, was Hölderlin weliswaar nog steeds lang niet zo vooraanstaand als de
zogenaamde ‘klassieke schrijvers’,
maar hij was bepaald niet volkomen vergeten. Van de Reclam-uitgave werden er tot
het eind van de eeuw zeker en-
kele tienduizenden exemplaren verkocht.
Via een van die goedkope, ruim verspreide uitgaven leerde de jonge Nietzsche
op zijn school Pforta Hölderlin ken-
nen en maakte van hem een lichtend voorbeeld voor zichzelf.’
(Bladzijde 261) Morgen verder met dit hoofdstuk 17.