Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 17
‘ ‘En omdat, terwijl Goethe ondanks zijn grootsheid en zijn ware gloed zich
mocht uitbreiden tot een brede existentie,
[…] Hölderlin het gelijktijdige, grootste voorbeeld is van dat verborgen vuur,
dat geheime rijk, die stille onopgemerkte
beeldwording van de goddelijke gloed’ (Hellingrath, 16).
In de jaren dat Hellingrath de late Hölderlin ontdekte, was ook het eerste
grote, psychiatrische onderzoek gepubli-
ceerd: ‘Hölderlin, Eine Pathographie’ door Wilhelm lange-Eichbaum (1910).
Daarin was juist het deel van het werk dat
in Hellingraths ogen tot het allerheiligste behoorde, aangeduid als in ernstige
mate getekend door ‘dementia praecox’.
Dat greep Hellingrath erg aan, want hij voelde zich ook persoonlijk blootgesteld
aan de verdachtmaking van waanzin.
Aan zijn promotor Von der Leyen schreef hij: ‘al het vijandige van de
negentiende eeuw kwelde me in het dagelijkse
verkeer: het verschrikkelijke boek van een psychiater, die mij terloops ook nog
persoonlijk – want ik heb het een en an-
der met Hölderlin gemeen, dat ik beter niet zou kunnen hebben – uiterst beleefd
psychopathische minderwaardigheid
en een toekomstig krankzinnigengesticht in het vooruitzicht stelde’ (gecit. Naar
Hölderlin-Handbuch, 424).’
(Bladzijde 268) Morgen verder met dit hoofdstuk 17.