Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Urenlang zaten we met een glas tussen ons oor en de muur in te luisteren en
lieten ons
vollopen. Honderden. Duizenden. Een polyfonie. En elke stem was even uniek als
een
vingerafdruk. Zoals ook elk oor elke afzonderlijke stem anders ontving – ‘wat
je hoort is
wat je oren ervan maken’. Sommige waren zo vertrouwd dat we ze nauwelijks
opmerkten.
Ze waren al door ons in- en uitgeademd voor we geboren waren. Rustgevend als de
hart-
slag van de moeder. Even natuurlijk als het geluid dat we hoorden als we op één
oor lagen.
Andere stemmen spoten zuren in ons bloed, zetten onze nekharen overeind en
toverden
lemmeten aan onze vingers. Zo gewelddadig waren ze dat het glas tussen ons oor en
de
muur aan scherven spatte. En toch hielden we niet op. Koortsachtig omringden we
ons met
glazen en tastten de muren af. We hoorden een vrouwenstem die zo ijl was dat ze
als een
kindervingertje op de mond van het glas wreef. Een stem die zacht op je oorlel
knabbelde.
Een stem die nauwelijks luider klonk dan een laatste ademtocht.’
(Bladzijde 21-22) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.