Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Ik zat op het dak in en uit te ademen om me te vergewissen van de aanwezigheid
van mijn
eigen lichaam.
Toen ik zag hoe de nacht oploste, hoe een zilverblauw gaas zich over het git
spon, lachte
ik uitgelaten als een gek. Klappertandend. Juichend.
Ik herinnerde me hoe meisjeshanden mijn voeten op de uitsteeksels hadden gezet
en hoe
jongensvingers mijn vingertoppen in de juiste spleten hadden geduwd.
Ik landde op het terras.
Ik sloeg het kleinste raampje stuk.
De scherven knerpten als sneeuw.
Minutenlang zat ik te kijken hoe het bloed opwelde uit de muis van mijn hand.
Nooit eerder had ik zo gelachen.
Mijn hartslag door mijn hand. En telkens hetzelfde woord: pijn, pijn, pijn… Een
metronoom.
Een wiegenliedje. Eindelijk mocht ik vallen.
Het was diep in de namiddag toen ik wakker werd. Ik hoorde gezoem. Ik hield mijn
kloppende
hand tegen mijn borst terwijl ik de kamer afzocht op muggen.’
(Bladzijde 34-35) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.