Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Een meisjeslichaam. Trillend in de lucht. De roodste stemmen bevinden zich ter
hoogte van
de mond. Ik sluit mijn ogen en voel armen die zich onder die van mij schuiven. Ik
luister, luis-
ter, luister.
Daarna duurt het weken voor ik opnieuw naar het gebouw ga. Wat is het verschil
tussen ver-
driet en verlangen?
Soms zie ik ’s nachts een schaduw door de lucht glijden of rent iemand over de
daken en als
ik mijn hoofd uit het raam steek, kan ik iemand horen lachen.
Alles is een grap.
Soms zie ik zwarte koetsen door de straten glijden als gondels. Hun stappen
gedempt. Het ge-
zucht dat opstijgt uit de kap.
Soms zie ik niets. Hoor ik niets. Wil ik niets.
Het leven gaat zijn gewone gang. Er wordt gewerkt, er worden kinderen verwekt en
er wordt af-
scheid genomen. Uit alle hoeken van de wereld komen mensen die hier de liefde
opnieuw willen
uitvinden of die willen vergeten.’
(Bladzijde 41-42) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.