Weer verder met Peter Verhelst; ‘Mondschilderingen’.
‘Er zullen ongetwijfeld medische termen voor bestaan, maar ik hou van Latijnse
woorden; ze klinken
als geprevelde gebeden, liefdesverklaringen, uitgezuchte verlangens.
Ik stond op het marktplein, wees de verkoper met de ene hand een sinaasappel
aan en liet een ly-
cee met de andere hand in mijn jaszak verdwijnen. Bij de fontein ontdeed ik de
vrucht van de ruwe
schil. Het blote, melkwitte, glanzende vruchtvlees legde ik voorzichtig op mijn
tong. De zon scheen.
Stemmen versmolten tot toevalsmuziek. Ik sloot de ogen en leunde achterover.
Ik opende mijn ogen omdat een schaduw over me heen viel. Hij had gevoel voor
drama. Hij wist
dat zijn hoofd omstraald was nu hij tussen mij en de zon stond. Ik voelde een
vuist in mijn buik be-
wegen. Ik kon zijn gezicht nauwelijks onderscheiden. Hij ging op zijn hurken
zitten en bracht zijn ge-
zicht dichterbij, fluisterde iets over mijn glimlach. Ik opende mijn mond en
haalde de lycee te voor-
schijn. Hield die voor zijn rechteroog. Precies de juiste afmeting.’
(Bladzijde 65-66) Morgen verder met ‘Mondschilderingen’.