Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 3
‘Dat is waarschijnlijk terug te voeren op zijn regelmatige cafébezoek, want
verder was hij heel prettig in de omgang
en hulpvaardig. Al in die tijd viel zijn streven naar objectiviteit op. Hij
probeerde zich onafhankelijk te maken van zijn
stemmingen en de eigen aard van andere mensen recht te doen.
Hegels rustige, bijna slome karakter, stak sterk af bij de derde man ‘im
Bunde’, Schelling. Hij kwam in de herfst van
1790 in het Stift, toen dat wonderkind, zoals eerder al verteld, Denkendorf en
Maulbron had overgeslagen en met speciale
toestemming als vijftienjarige naar de universiteit mocht. Hij sloot zich direct
aan bij de kring rond Hölderlin en Hegel, waar
Plato en Kant gelezen werden. De jonge Schelling was aanvankelijk niet meteen
enthousiast over de filosofie, hij voelde
zich meer aangetrokken tot de filologie, de archeologie en de mythologische
geschiedenis. Maar ook bij hem sloeg Jacobi’s
Spinozaboek in. Het maakte van hem een filosoof.’
(Bladzijde 48) Morgen verder met dit hoofdstuk 3.