Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 15
‘Wat Hölderlin hier het ‘oriëntaalse’ noemt, betekent voor hem, zoals
hij in de al geciteerde brief aan Böhlendorff
van 2 december 1802 uitvoeriger heeft uitgelegd, het hartstochtelijke, het
‘vuur uit de hemel’, het wilde, zelfs het
‘barbaarse’, dat in Winckelmanns Kassieke Oudheid van ‘edele eenvoud en
stille grootsheid’ te gepolijst geraakt
was. Zelfbewust beloofde Hölderlin aan zijn uitgever dat hij de ware natuur van
de tragedies van Sophocles in alle
opzichten voor de eerste keer aan het licht zou brengen. Hij achtte zich zelfs in
staat de ‘kunstzinnige tekortkomin-
gen’, namelijk de onnatuurlijke vervormingen van het oorspronkelijk, te kunnen
wegnemen (MA II, 924 ev.).
Kennelijk had Schelling bij hun ontmoeting in Murrhardt aan Hölderlin beloofd
de vertaling van Sophocles ter op-
voering aan te bieden aan het Weimarer Theater. Dat vertelde Hölderlin aan
Wilmans om hem ook daarmee te over-
tuigen van zijn onderneming. Maar Schelling heeft waarschijnlijk amper iets voor
Hölderlins vertaling gedaan, want
na hun laatste ontmoeting in Würzburg, waar Hölderlin en Sinclair op weg naar
Homburg even hun reis onderbraken,
schreef hij aan Hegel dat Hölderlin weliswaar ‘in een betere toestand dan
vorig jaar’ verkeerde, ‘maar nog altijd in dui-
delijke ontreddering. Zijn vertaling van Sophocles toont zijn verkommerde
geestelijke toestand overduidelijk aan’ (14
juli 1804; MA III, 631).’
(Bladzijde 233) Morgen verder met dit hoofdstuk 15.