Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 17
‘Ook theorieën en waarheden zijn sterfelijk, ze komen en gaan in de stroom van
de tijd – dat is de gedachte die de
jonge Nietzsche oppakt op een moment dat hij afscheid neemt van eeuwige waarden
en permanente geestelijke
substanties. Nietzsche zal de brief ongetwijfeld verder gelezen hebben en daar de
omtrekken van een meervoudige
ontologie hebben aangetroffen, een behoorlijk vermetel gedachte-experiment van
Hölderlin. Het is, schrijft Hölderlin,
‘de eerste voorwaarde voor alle leven en elke organisatie dat geen enkele
kracht in de hemel en op aarde monarchaal
is’ (MA II, 723). Alles draait erop uit dat er versnippering is, alles is
geïndividualiseerd, er is ook niet de ene god boven
alles, iedereen heeft zijn eigen god in zichzelf, overal is het middelpunt. Dat
zijn gedachten die later in Nietzsches per-
spectivisme machtig zullen weerklinken.
Ook al was Hölderlin in de tweede helft van de negentiende eeuw niet
vergeten, het was de tijdgeest waartegen ook
Nietzsche streed, die een poëtische geest als Hölderlin niet welgezind was.
Het is wel verbazingwekkend hoe vanaf het midden van de negentiende eeuw, na
de idealistische hoge vlucht van de
absolute geest, plotseling overal de wens opkwam de mens klein te maken.’
(Bladzijde 262-263) Morgen verder met dit hoofdtik 17.