Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 17
‘Vlak voordat Heidegger in het wintersemester van 1934-1935 zijn eerste
Hölderlin-college over de hymnen
‘Germania’ en ‘De Rijn’ hield, had hij aan Karl Jaspers geschreven dat
‘twee doornen in het vlees’ hem zouden
kwellen, ‘de confrontatie met het geloof van de afstamming en het mislukken van
het rectoraat’ (Heidegger/Jas-
pers, Briefwechsel, 157).
Heidegger koos Hölderlin als zijn held om dat dubbele probleem de baas te
worden, dat van het geloof en dat
van de politieke misstap. Met Hölderlin slaagde hij daarin. Hölderlin werd voor
hem een nieuwe ‘Führer’; hij had
iemand als Hitler niet meer nodig. En Hölderlin was voor hem een ‘Führer’
naar een nieuw rijk van het religieuze,
het ‘zijn’ (Seyn’, met een Griekse ij, net zoals Hölderlin het schreef).
Heidegger zocht aanvankelijk vooral contact met de vaderlandse Hölderlin, die
hij ‘een macht in de geschiede-
nis van ons volk’ noemde (Heidegger GA 39, 214), zij het een macht die nog niet
waarlijk tevoorschijn gekomen was.
Dat wilde Heidegger veranderen. Hoe kan dichten een macht worden, vraagt
Heidegger, en hij antwoordt met een
hele filosofie van de cultuurstichtende daad, die bij machte is een nieuw
’Seyn’ te onthullen.’
(Bladzijde 270-271) Morgen verder met dit hoofdstuk 17.