Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 17
‘Nadat Hölderlin in de tijd van het nationaalsocialisme heel duidelijk
ideologisch misbruikt was, riep Adolf Beck,
die behoorde tot de medewerkers van de Stuttgarter Ausgabe, na 1945 ertoe op om
terug te keren ‘naar de inter-
pretatie en exegese, naar de ontsluiting van het gedicht als een concreet, in
zichzelf volmaakt en in zichzelf rus-
tend geheel’ (gecit. Naar Hölderlin-Handbuch, 449). Maar Hölderlins gedichten
rusten niet zo in zichzelf dat ze
niet telkens weer interpreteten verontrusten en stimuleren tot vergaande
zingeving in aansluiting op Hölderlin. De
theologisch-religieuze en de filosofische inhoud van Hölderlins werk komt
daaraan tegemoet. Hölderlins woorden
over de ‘dichter in povere tijd’ gaven aanleiding tot de ruime
geschiedfilosofische interpretatie volgens welke deze
dichter het ‘heilige’ poëtisch actualiseert en daarmee als een van de
laatsten de herinnering eraan in een moderne
tijd zonder transcendentie bewaart. En omdat Hölderlin verregaand onbegrepen
bleef en ten slotte instortte, werd
hij uiteindelijk gezien als martelaar in de ondergang van het religieus gevormde
‘Avondland’. Tegen die numineuze
achtergrond van een hoogst tragische betekenis voltrok zich het onderzoek, dat
tot spitsvondige interpretaties van
details kwam en voor de rest ijverig filologisch, biografisch en redactioneel
was.’
(Bladzijde 272) Morgen verder met dit hoofdstuk 17.