Weer verder met ‘Hölderlin, biografie van een mysterieuze
dichter’ van Rüdiger Safranski.
Verder met
Hoofdstuk 16
‘De brieven aan zijn moeder waren ondertekend met ‘Hölderlin’, niet meer
zoals vroeger met ‘Uw Fritz’ of ‘Eeuwig
Uw Fritz’ of ‘Zoon van mijn liefste mama’. Zijn moeder, die een ontmoeting
uit de weg ging, is hem altijd blijven
schrijven, maar geen van de brieven is bewaard gebleven. Ze was niet langer een
van de mensen die Hölderlin
voor zijn leven nodig had. Toen hem het nieuws van haar dood werd verteld, nam
hij er onaangedaan kennis van.
Het betekende geen onderbreking van zijn gewone leven in de toren.
Hij stond met de zon op, ’s zomers dus erg vroeg, begon dan aan zijn
wandelingen bij het huis en rustte uit op een
sofa die zijn huisbaas na enkele jaren in zijn kamer had gezet; dan hoefde hij
overdag niet op zijn bed te gaan liggen.
Bezoekers die op audiëntie kwamen nodigde hij uit ook op die sofa plaats te
nemen. Dat werden er steeds meer, want
langzaam werd hij een bezienswaardigheid. Als hij alleen was, wandelde hij ’s
middags weer om het huis. Hij deed veel
aan beweging en praatte ondertussen. Hij las ook, maar meestal in zijn eigen
werk, in zijn latere jaren vooral in ‘Hype-
rion’ , dat in 1822 nogmaals was uitgegeven en dat hem in het nieuwe jasje,
groen linnen, erg beviel.’
(Bladzijde 246) Morgen verder met dit hoofdstuk 16.